schaakbord

Je Skillset: Wat kun je allemaal?

Ben je een A-speler of een B-speler? Om die vraag te beantwoorden kun je naar twee dingen kijken. Ten eerste natuurlijk naar je skillset.

Wie vraagt: “wat kan ik voor je doen?”, kan natuurlijk de vraag terug verwachten: “wat kun je allemaal?”. En natuurlijk kun je als professional een hele lijst met vaardigheden opsommen. Maar de vraag die dan volgt is: “heb je wel iets aan die vaardigheden?”

De context:  Zwakte = Kracht

De waarde van je vaardigheden is in grote mate afhankelijk van de context waarin je vaardigheden ingezet dienen te worden. Met andere woorden. Je kunt op de ene plek een A-speler zijn waarbij al je vaardigheden perfect tot hun recht komen. Daarentegen kan het zijn dat die vaardigheden op een andere plek geen enkele meerwaarde leveren. Het kan zelfs zo zijn dat die vaardigheden je tegenwerken. Je kracht wordt een zwakte of, erger nog,  een bedreiging. Hierdoor verander je van A-speler in een B-speler. (of zelfs een C- of D-speler).

 

Illustratie:

Het bovenstaande schaakbord is een optische illusie die is bedacht door Edward H. Adelson. Doctor aan Massachusetts Institute of Technology in Amerika. De vraag die erbij hoort is: “welk vakje is donkerder? A of B?” In werkelijkheid zijn beide vakjes exact dezelfde kleur. Maar zelfs als je dat weet, is dat voor de meeste mensen lastig te zien.

 

Perspectief:

De eerste stap is het krijgen van een goed beeld  van hoe jij vaardigheden zich verhouden tot de context waarin ze gebruikt worden of nodig zijn. Hiervoor kun je drie dingen doen:

  • Verander zelf van gezichtspunt. In het geval van het schaakbord wil het soms werken om je ogen iets dichter te knijpen of een deel van de afbeelding af te deken.
  • Vraag anderen naar hun gezichtspunt. Het gaat er niet eens om dat die anderen slimmer zijn dan jij. Maar omdat zij niet ‘jij’ zijn kijken ze per definitie anders naar de situatie
  • Meet je resultaten. Cijfers bieden een niet-emotioneel gebonden perspectief en daarmee niet perse het meest waar en bruikbaar, maar wel het meest eerlijk van de drie.

 

Maar wat maakt een A-speler nu een A-speler?

Om werkelijk een A-speler te zijn moet iemand op 2 vlakken congruent zijn met de context.

  1. De eerste is de gemakkelijkste. Wat kun je allemaal?. Veel van wat je niet kan of weet, kun je leren.
  2. De tweede is: Wat geloof je? Waarom doe jij wat je doet en in hoeverre benaderd dit wat het de context geloofd. Dit gaat over visie.

Als een van de 2  niet congruent is:

“change the player or change the game”.